Palmblad.nl

exotische dieren en planten

Tropische bloemen in Utrecht

Posted by admin on mei 21, 2011 under

WordPress databasefout: [Table 'lijfrent_palm.wp_automaticSEOlinks' doesn't exist]
select * from wp_automaticSEOlinks where idGroup=0

Als schooljongen, opgroeiend in Utrecht, kon ik op zaterdagochtend na school altijd nog naar de bloemenmarkt op het Janskerkhof. Er werden daar bloemen, maar vooral ook planten verkocht. Planten voor de tuin, planten voor in huis. De gatenplant Monstera deliciosa was in opmars.

Overigens werd de soort in de volksmond philodendron genoemd. Er waren ook veel kamerplanten die geschikt waren voor het oerwoudterrarium: Scindapses, Philodendron scandens, Ficus repens, Cryptantes vittatus. Verder waren er bakken vol met cactussen en vetplanten zoals aloë’s. Je kon gewoon wegdromen bij die weelde aan tropische plantensoorten.

Ze kwamen oorspronkelijk uit verre tropische landen, waar je op school de ligging en de hoofdstad van moest leren. Een normaal mens kon daar nooit komen, tenzij je missionaris werd of miljonair of matroos bij de marine. Maar goed, die planten stonden daar ’s zomers zomaar buiten en als je geluk had kon je een rotscactus kopen voor 75 cent (gulden). Dat maakte veel goed en trots fietste je met de aanwinst naar huis. ‘Ik heb een nieuwe soort gevonden,’ zei ik dan trots tegen mijn moeder, wanneer de cactus niet in het Verkade-album Cactussen en Succulenten vermeld stond. Hoe heerlijk simpel was de wereld toen…

Nu, 50 jaar later vraag ik me vaak af: wat is een ‘nieuwe’ soort. Nieuw voor mij, nieuw voor Frans Guyana, nieuw voor het Herbarium in Cayenne, nieuw voor de specialisten, dus nieuw voor de wetenschap? Zeker niet nieuw voor de Indianen, die hier al vele duizenden jaren wonen en de plant zeker bekeken en testten op bruikbare eigenschappen. Ze hadden er in hun eigen talen en dialecten namen voor en gaven de kennis door aan hun kinderen. Alleen schreven ze die naam en kennis niet op, droogden geen planten om ze vervolgens in herbaria op te slaan, drukten geen beschrijvingen om in de vakwereld op te slaan. Maar ze kenden de soort wel.

Zie je als woudloper een jou onbekende plant, dan is het eerst zaak uit te vinden of de soort al ergens is geregistreerd. Boeken en publicaties worden opengeslagen, foto’s vergeleken. Een blad of bloeiwijze meenemen naar het herbarium geeft vaak uitsluitsel, wanneer de plant door daar werkende botanici wordt herkend. Zo niet, dan loont het in de gedroogde plantencollectie te zoeken. Herbaria hebben vaak materiaal van honderden jaren planten verzameld en gedetermineerd door gespecialiseerde botanici.
Vind je de onbekende ook niet in het locale herbarium (voor ons Cayenne of Paramaribo), dan wordt het tijd contact met een specialist te zoeken en goede foto’s op te sturen. Als je jezelf beperkt tot slechts een paar plantenfamilies, dan zijn die specialisten gemakkelijk te vinden. Wereldwijd zijn er meestal niet zoveel. Ik beperk me tot aronskelkachtigen (Araceae) en bromelia’s en kijk en passant nog wel eens naar costaceën en orchideeën. Als ook de specialisten geen raad weten met de nieuwe vondst, dan ontstaat er vaak een interessante discussie, vroeger per brief, nu via e-mail. Bekende soorten, die ten dele gelijken, passeren de revue. De vraag is vooral: waarom is het nieuwe materiaal anders? Het blad, de bladstelen, de stam, maar vooral de bloeiwijze worden vergeleken, foto’s van levende planten, maar ook herbariumspecimens worden bekeken.
Planten die gedroogd zijn vertonen toch weer een eigen kleur en vorm en dat maakt deel uit van de kenmerken. Een bloem op alcohol en gedroogd bladmateriaal voor dna helpen soms de weg te vinden in de doolhof van Amazonische soorten. Soms is er de conclusie: dit is nieuw, dat wil zeggen onbeschreven in de westerse wereld.

Zijn de wetenschappers tot de conclusie gekomen dat een soort niet beschreven is, dan is dat het beginpunt van een hele procedure. Soms een langdurig proces, omdat het materiaal in ons geval uit de Guyana’s komt, terwijl de specialist in Missouri werkt (dr. Thomas Croat, araceën) of in Utrecht (drs. Eric Gouda, bromeliaceeën).
De eerste zorg voor de woudloper is het vinden van voldoende materiaal, zodat de botanicus de soort juist kan beschrijven. Bladeren zijn er gewoonlijk genoeg voorhanden. De bloem is echter vaak al lastiger, want alles moet in principe ten minste in viervoud worden aangeleverd. De herbariumspecimens worden over verscheidene herbaria verdeeld. Er is één plant, waar de beschrijving op gebaseerd is, het holotype. Andere exemplaren van dezelfde soort (paratypen) worden naar andere herbaria gestuurd. Voor planten van de Guyana’s zijn dat vaak herbaria, die meewerken aan het project Flora of the Guianas. Waar mogelijk wordt er materiaal van de nieuw beschreven soort ondergebracht in Cayenne, Paramaribo, Georgetown, New York, Kew, Utrecht, Parijs en Berlijn.

Zaadonwikkeling bij Anthurium moonenii
Lukte het al om ten minste een viertal bloeiwijzen met bloemen te vinden, lang niet alle planten ontwikkelen vaak zaden. Het verzamelen van het juiste en voldoende herbariummateriaal kan vele jaren duren. Op Emerald Jungle Village hebben we heel veel wilde soorten groeien (in cultuur noemen we dat). Mede, omdat je zo de groei en bloei goed kunt volgen. Bij een nieuw te beschrijven Monstera van de Arataïrivier duurde het meer dan 10 jaar, voordat in maart 2006 de eerste bloem verscheen. De nieuw beschreven Philodendron ushanum produceerde in 15 jaar verscheidene bloemen, maar slechts éénmaal zaad.
Er zijn dan de zorgen over juist conserveren, verzenden en dan kan het materiaal nog zoekraken in de herbaria, waar de collecties soms uit miljoenen specimens bestaan, vele tientallen mensen werken en de botanici overladen zijn met werk.
Op EJV leggen we zoveel mogelijk vast op dia’s, waarvan er in principe één naar de botanicus gaat en de andere hier in het dia- archief blijven. Die dia’s kunnen de botanicus op lange afstand helpen bij de beschrijving van de soort. Dankzij deze dia’s kunt u ook een aantal plantensoorten bekijken, die nog weinig mensen hebben kunnen aanschouwen. Om praktische en systematische redenen worden de soorten hier alfabetisch gerangschikt volgens familie, genus en land.

Araceae: aronskelkachtige planten
Anthurium moonenii Croat & Gonçalves
Deze fraaie aronskelkachtige is een epifyt. De eerste plant vond ik in 1991 langs de Cascadesrivier op slechts 10 km van EJV. De plant was in bloei en direct als een Anthurium te herkennen. Tijdens andere tochten vonden we de soort ook in het Kawgebergte, Belizon, bij en oostelijk van Regina, en langs de Mataronirivier. Enkele planten werden verzameld en hier op EJV voortgekweekt. In 1993 verleenden we onderdak aan een botanische expeditie, waar ook dr. Thomas Croat van Missouri deel van uitmaakte. Hij is araceeënspecialist en stelde ter plaatse vast, dat het een niet beschreven soort was.
Dr. Croat beschreef de soort en gaf haar de naam Anthurium moonenii. De publicatie van de beschrijving liet op zich wachten en zo gebeurde het, dat de soort ook in Brazilië door de botanicus Eduardo Gonçalves werd gevonden en beschreven. De planten werden daar in de staat Amazonas gevonden. Dus mag niet worden uitgesloten, dat de soort ook in de staten Para en Amapà voorkomt. De beschrijving en publicatie van Anthurium mooneii is uiteindelijk geschied door Croat en Gonçalves in het tijdschrift Willdenovia.

Anthurium moonenii groeit als epifyt op verticale oppervlakken van boomstammen, grotendeels in de schaduw. De planten groeien meestal solitair en de soort is zeldzaam te noemen. De bladeren zijn drielobbig, maar ook planten met enkelvoudige bladeren komen voor. De bladeren worden tot 60 cm lang, hebben een prachtige nerfstructuur, waaronder de typische Anthurium-randnerf. De kleur van de bladeren is donkergroen. De bladstelen zijn zo lang als de bladeren. De bloem groeit aan een lange steel en hangt. Spadix en schutblad zijn geelwit van kleur. Bij zaadontwikkeling zwelt de spadix en lijkt wat groener van kleur te worden. De talrijke vruchtjes zijn slechts enkele millimeters in doorsnede en bevatten slechts één zaadje. Ze worden mogelijk door vogels gegeten, die zo voor de verspreiding zorgen. De wortels hechten zich goed aan de gastboom, maar met behulp van een lange stok zijn de wortels wel los te wrikken en zo is de soort te verzamelen.
Anthurium mooneii is onder meer te zien in de botanische tuinen van Utrecht en München. In Amerika won de soort twee jaren achtereen de eerste prijs op de jaarlijkse Aroidshow in Miami.

Monstera barrieri, van juveniele naar volwassen bladvorm
Monstera barrieri Croat, Moonen & Poncy In 1995 bracht Philippe Gaucher, toen nog conservator van het Arataï Natuurreservaat mij een ‘philodendron’ ter determinatie. Het was een middelgrote plant met prachtige diep ingesneden bladeren. De zeer fijne, ingesneden bladvorm deed aan Philodendron polypodioides denken, maar de stam van de plant met talrijke korte hechtwortels verraadde, dat dit geen Philodendron was maar waarschijnlijk een Monstera. De plant werd achter EJV in de bosrand tegen een boomstam aangebonden. Toen ze ging groeien, vergat ze haar mooie bladeren en ontwikkelde kleine niet-ingesneden asymmetrische pionierbladeren. Ze groeide heel langzaam. Echt een plant, waarbij geduld een schone zaak is.
De plant was in geen boek te vinden en ook specialist Tom Croat in Missouri kon hem niet thuisbrengen. Omdat de soort toch een roepnaam moest hebben, noemde ik haar ‘Monstera arataiense’.
Rond 1999 nodigde de toenmalige conservator van Arataï, Vanessa Hequet, me uit om in het reservaat naar araceeën en bromelia’s te komen kijken. Ik gaf mezelf een speciale opdracht: de nieuwe Monstera in bloei vinden. Tijdens de tochten in de bossen rond de Arataï en in de oeverbegroeiing vonden we regelmatig deze monstera’s, juveniele en volwassen planten. Maar, hoe goed we ook zochten, geen enkele bloem. Inmiddels verkreeg EJV meer stekken van deze soort die over de jaren tergend langzaam tegen de boomstammen omhoog kropen. Tegen 2002 begonnen sommige volwassen, ingesneden bladeren te ontwikkelen. In februari 2002 was het Flora of the Guianas- congres in Cayenne en was als veldexpeditie Arataï gekozen. Ik kon die keer niet mee, maar wat te verwachten was in februari: men vond de nieuwe Monstera in bloei. Dr. Scott Mori maakte er prachtige foto’s van en de fertiele plant ging als gedroogd herbariumspecimen naar Parijs. Mede door gedroogd plantmateriaal en dia’s, die ik naar Missouri had gezonden, was men daar aan de beschrijving van de soort begonnen.

In 2003 maakte Tom Croat een werkreis langs verschillende Europese herbaria. Het is dan gebruikelijk, dat specialisten onbekende specimens uit ‘hun’ familie op naam brengen. Tom bezocht ook het IRD-herbarium in Parijs en werkte zich door dikke pakken Arum-specimen heen. Zo stuitte hij geheel onverwacht op een specimen rond 1980 verzameld door ene M. Barrier aan de Arataïrivier in Frans Guyana. De bijzondere plant, nota bene met bloeiwijze, was daar meer dan 25 jaar geleden verzameld, gedroogd, mee naar Parijs genomen, daar netjes opgelegd en verder wegens gebrek aan belangstelling vergeten. Tom Croat had inmiddels genoeg materiaal om de soort te beschrijven en noemde hem naar de eerste verzamelaar, die de plant conserveerde: Philodendron barrieri.

De prachtige bloei van Monstera barrieri
In het bos van EJV groeide inmiddels een zestal van deze planten hoger en hoger langs de boomstammen, waarop ze een tiental jaren geleden als stekken waren bevestigd. En ze ontwikkeleden volwassen bladeren en stammen, vooral de exemplaren in de bosrand. Bijna dagelijks werden de planten bekeken en wijs ik onze bezoekers op die lastige monstera’s, die maar niet willen bloeien. Tot ik in maart 2006 eindelijk in een van de planten een knop ontdekte. De plant groeide inmiddels op 4 meter hoogte en we plaatsten er een trap bij om de ontwikkeling te volgen en te fotograferen. De knop werd groter en almaar geler van kleur. Mooi warm geel, dat ik reeds van de foto’s van Scott Mori kende. In april ging de spathe (het schutblad) open en was de hele bloem goed te zien. Vele araceeënbloemen hebben ten minste een deels witte spathe en spadix, maar bij Monstera barrieri zijn deze beide bloemdelen warmgeel van kleur. Dit was waarschijnlijk de derde bloem van deze soort, die ooit voor belangstellenden beschikbaar zou zijn en ik verschoot er een hele rol film aan.
Toen de bloem na twee weken minder werd, is ze op alcohol gezet en naar Missouri gestuurd. We hopen nu op een volgende bloem met mogelijk zaadontwikkeling, want Monstera barrieri bleek populair bij de insecten, voor al bij kleine vliegjes. Hopelijk hoeven we geen 10 jaar te wachten voor er weer een bloem zichtbaar wordt.

Monstera barrieri is een relatief kleine Monstera met zeer fijn ingesneden bladen. De juveniele bladeren zijn niet ingesneden en asymmetrisch. De jonge planten starten van zaad aan de basis van bomen en kruipen in de schaduw omhoog tegen de stam. Op 3 of 4 meter hoogte worden de bladeren groter en ingesneden. Dit is nog steeds in de schaduw van het kronendak, zij het lichter dan op de bodem. De enkele bloem is warmgeel van kleur. Ik heb de soort nergens anders gevonden dan in het gebied van de Aratïrivier. Het is niet uitgesloten, dat het een endemische soort is.