Odontoglossum
In oude boeken over kamerplanten en orchideeënboeken van halverwege de vorige eeuw wordt Odontoglossum grande aanbevolen als een geschikte orchidee voor in de huiskamer. Daar is intussen veel aan veranderd. Odontoglossum grande heet tegenwoordig Rossioglossum grande en in de huiskamers van vandaag de dag doet hij het nauwelijks meer. Dat is de schuld van de centrale verwarming, die voor droge warmte en hoge nachttemperaturen zorgt.
Zo verandert er wel meer in de wereld. Odontoglossum in de oude zin des woords is inmiddels opgesplitst en verdeeld over een aantal nieuwe en oude genera. Dat opsplitsen van oude genera lijkt een hobby voor taxonomen, maar er is echt regelmatig een goede reden voor. De eerste aanleiding tot splitsen is een verschil in de bloembouw, dat bij sommige soorten wel en bij andere niet terugkomt. Het aardige is, dat als die verschillen eenmaal genoteerd zijn en de planten op basis daarvan in twee groepjes verdeeld zijn, andere eigenschappen ook beginnen op te vallen. Dan is het splitsen in twee ( of meer) genera gerechtvaardigd en krijgen de planten een nieuwe naam. Nou ja, of die verschillen groot genoeg zijn om een genus te rechtvaardigen is weleens twijfelachtig. Lang niet alle voorgestelde splitsingen worden uiteindelijk algemeen aanvaard. Als de voorgestelde splitsingen wel aanvaard worden, is het weer de vraag of er wel een goede naam aan het nieuwe genus is gegeven. Vaak heeft de splitsende taxonoom zelf een naam verzonnen, maar blijkt er ergens in de geschiedenis eerder een naam opgeworpen te zijn en moet die gehanteerd worden. Dat overkwam de soorten van Lemboglossum, die nu onder de genusnaam Rhynchostele door het leven gaan.
Rossioglossum
Gelukkig verandert er met al die naamgeving verder niets aan de bloemen en planten. Odontoglossum grande mag dan nu Rossioglossum grande heten, het is nog steeds dezelfde mooie orchidee, die voor de ouderwetse kamercultuur zeer geschikt is. Let wel, de ouderwetse, waarbij er in huis één kamer met een kolenkachel warm gestookt werd en de rest daarvan de warmte moest overnemen. In de nacht werd er niet gestookt en als de ventilatie een beetje tegenviel, werd het zelfs klam in huis. Dat waren de omstandigheden, waarin O. of R. grande zich goed voelt. Tegenwoordig hebben bijna alle huizen centrale verwarming. Daarmee wordt het niet zozeer te warm als wel te droog in huis. En wat ook heel belangrijk is, de moderne mens zet ‘s nachts zijn kachel misschien wat lager, maar niet af. De nachtelijke afkoeling voor de planten is beperkt tot een paar graden. De planten reageren daarop door steeds kleinere bulben te groeien en niet meer te bloeien.
Ondersoorten
Rossioglossum omvat een zestal soorten met enige ondersoorten van Mexico en Guatemala. De soorten hebben een korte bloeistengel met enkele grote bloemen, waarvan de bloembladen geel/roodbruin gestreept zijn. De bulben zijn afgeplat met een tamelijk scherpe rand, de bladeren stijf en vrij breed. Het zijn planten van Mexico en Guatamala; de soort R. schlieperianum komt van Costa Rica en Panama. Ze leven in bergbossen tussen 800 en 2.700 meter hoogte.
Ze verlangen helder licht, een gematigde omgeving met nachtelijke afkoeling en een goed gedraineerd grondmengsel. Na het volgroeien van de nieuwe scheut moeten ze een korte periode van rust hebben en krijgen ze een week of zes minder water en een koele standplaats met een streeftemperatuur van 12 graden C. Met het verschijnen van de nieuwe scheut en als het meezit ook de bloemknop mag er weer meer water gegeven worden. De luchtvochtigheid hoeft voor deze soorten overdag niet erg hoog te zijn, tussen de 60 en 70% – normaal in een huiskamer met kamerplanten – volstaat. Gedurende het voorjaar en de zomer kunnen de planten heel goed buiten staan op een plaats met ochtendzon en verder weinig schaduw. Als de planten goed groeien, mogen ze elke gietbeurt een beetje sterk verdunde mest. Een grote (voor andere planten misschien normale) mestgift ineens kan leiden tot het verbranden van de wortels. Het kan ook met verdunde mest gebeuren, dat door het opdrogen van de kluit de concentratie aan zouten – van de mest – erin toeneemt. Ook dat geeft soms wortelbeschadigingen. Goed naspoelen met regenwater is dan de boodschap.
Lemboglossum
Lemboglossum heet dus tegenwoordig Rhynchostele en dat is voor de meeste liefhebbers nog even wennen. Tot dit genus behoren een aantal van de mooie en vaak gekweekte soorten. Die ook hun sporen hebben nagelaten in de grote aantallen hybriden, die vandaag de dag worden aangeboden. De meeste planten hebben bulben in de vorm van een afgeplat ei met 1 tot 3 langwerpige bladeren. De bloemen staan soms aan lange, rechtopstaande stengels, soms op een wat kortere. De ongeveer zestien soorten zijn van oorsprong afkomstig van Midden-Amerika, van Mexico tot Panama, en een enkele soort komt tot in Venezuela voor. Op de Tacan´, een vulkaan op de grens van Mexico en Guatamala, zijn zeker een vijftal soorten bij elkaar te vinden (R. uroskinneri, R. cordata, R. stellatum, R. majale en R. rossii). Ze leven in nevelbossen op vrij grote hoogte, op minstens 1.000 tot 3.000 meter. In die streken groeien ze hoofdzakelijk epifytisch, maar ook op rotsen vinden ze goede groeiplaatsen en soms zelfs schijnbaar op de bodem. In dat laatste geval wortelen ze op het bodemoppervlak en zeker niet erin. De wortels groeien dan over en tussen de lage, liggende stengels van hun buurplanten. Dat lijkt dan ‘terrestrisch’, maar de omstandigheden zijn duidelijk meer epifytisch.
Rhynchosteles wensen een lichte, koele plaats met een hoge luchtvochtigheid. Het oppotmengsel moet voor deze planten weer goed doorlatend zijn, maar wel een beetje vocht vasthouden. Een rustperiode is voor deze planten wat minder van belang. De moeilijkheid van deze planten is, dat ze zowel koel als licht moeten staan. Te warm en de planten groeien slecht en bloeien nog slechter. Verder gelden min of meer dezelfde eisen als voor Rossioglossums.
Rhynchostele cervantesii heeft witte of roze bloemen met brede bloembladen en wat paarse vlekken aan de basis. De hangende bloeistengel van deze soort kan tot 6 bloemen dragen. De soort wordt vaak gevonden op de stam van naaldbomen in de hogere delen van het bergwoud. R. stellatum is een kleine soort, die liever op oude eikenbomen groeit en plaatselijk zeer algemeen is. Deze planten wijken enigszins af van de andere soorten, omdat ze slechts een enkele bloem op een rechtopstaande steel dragen. R. bictoniensis bloeit met een rechtopstaande stengel met vele bloemen. Het is een tamelijk variabele soort met een groot verspreidingsgebied. In het algemeen is de soort lastig te kweken. In de natuur groeit deze soort ook in hopen humus aan de voet van woudreuzen, mits het daar licht genoeg is. Rhynchostele rossii is een soort, die iets minder kieskeurig is wat betreft de temperatuur. R. cordata is echt een plant van hoge, koude bossen. R. cordatum heeft van deze groep de grootste verspreiding. Deze soort wordt zowel in Mexico als in Venezuela gevonden en heeft naar verluidt ook weer een voorkeur voor oude eiken. Het is ondanks de grote verspreiding toch een tamelijk kieskeurige plant, die temperaturen tussen de 10 en de 25 graden wenst. Hoger levert al snel schade op. Een verblijf op een schaduwrijke plaats in de tuin – buiten het bereik van slakken – is aanbevelenswaardig.
Osmoglossum is een genus van hoofdzakelijk wit bloeiende planten van de bergen van Guatamala tot in Costa Rica. Ook deze planten leven weer op hoogten tussen de 1.000 en 3.000 meter. De meest geziene soort is Osmoglossum pulchellum. Deze bloeit met geurende, lang blijvende bloemen. Ook dit is weer een plant voor de koele kas, waar hij in de groeiperiode gelijkmatig vochtig gehouden moet worden. Het potmengsel voor deze soort moet tamelijk fijn zijn, maar wel goed doorlatend en niet te zuur. Osmoglossum pulchellum is meer dan de andere Odontoglossums een plant, die in de schaduw groeit.
Oncidium laeve heeft gedurende zijn omzwervingen door allerlei genera ook een tijdje als Odontoglossum laeve (en ook als Odontoglossum karwinskii) te boek gestaan. Via Miltonia en Miltoniopsis is de soort nu in Oncidium beland. De plant is afkomstig van Mexico en Guatamala, van hellingbossen tussen de 1.000 en 2.400 meter. Het zijn vrij grote planten met bladeren tot een halve meter lang en een bloeistengel, die meer dan 1 meter hoog kan reiken. Er zijn twee typen. Het type met de teruggeslagen lip wordt O. laeve genoemd, die waarbij de lip uitgevouwen blijft is het type O. laeve var. reichenheimii. Deze plant heeft iets hogere temperaturen nodig dan de andere hier genoemd, maar nog altijd moet hij aan de koele kant gekweekt worden.
Zijn er na al die naamsveranderingen nog wel ‘echte’ Odontoglossums over? Een groep van 60 soorten van de Andes van Venezuela tot Peru blijft voorlopig nog als Odontoglossum te boek staan. Onder die soorten vele met mooie bloemen, maar op de een of andere manier zijn deze soorten in verzamelingen zeldzaam. Ze staan er bekend om, dat ze lastig te kweken zijn, ook alweer vanwege hun behoefte aan koelte en licht. Planten uit deze groep worden gevonden tot op hoogten van 3.500 meter en van de meeste ligt de vindplaats boven de 2.500 meter. Net als de andere soorten worden ze zowel epifytisch als groeiend op de bodem, wortelend tussen het gras, gevonden. Deze planten willen het hele jaar door koelte en gelijkmatig water, zonder uitgesproken rust. Een bekende soort die in kruisingen gebruikt is, is Odontoglossum crispum van Colombia.
Het is wel verwonderlijk, dat gevoelige en koel groeiende soorten aan de basis staan van een hele serie bont gekleurde hybriden, die alle talent hebben voor kamerplant. Menig tuincentrum heeft een tafel vol met nakomelingen van deze planten, klaar om als een ‘boeket in een bloempot’ te worden verkocht. Vaak worden deze planten na de bloei weggegooid, omdat er volgens de meeste leken en ook verkopers weinig eer te behalen is aan de uitgebloeide planten. “Als u geen kas hebt, wordt het niks met die plant” heb ik ooit eens bij de aanschaf van een dergelijke plant te horen gekregen. In de praktijk blijken de hybriden onder alle omstandigheden wel goed te groeien. Het enige waar ze echt slecht op reageren is hard leidingwater en te veel warmte.