Palmblad.nl

exotische dieren en planten

Zonneroosjes

Posted by admin on okt 13, 2011 under

Geurende en andere zonneroosjes

In de heuvels in het achterland van de Algarve, nadat het aan het einde van een warme ochtend even geregend heeft, ruikt het heel bijzonder. Een kruidige geur, iets zoetig, enigszins naar kaneel en laurier, harsachtig, maar ook weer niet. Het is ladanum, afkomstig van de daar in de heuvels van de Algarve volop groeiende Cistus ladanifer.

Cistus ladanifer is één van de apartste soorten van het genus Cistus, de zonneroosjes. Overal langs de Middellandse-Zeekust, waar het warm en droog is en planten slechts tussen stenen en rotsen een groeiplekje kunnen veroveren, groeien deze rijk bloeiende struikjes. Ze dragen roze of witte, vaak wat verkreukeld uitziende bloemen, die enigszins op roosjes lijken. Cistus ladanifer is één van de grootbloemige soorten, waar tegenover een nogal stakerige groei staat. De tot tien centimeter brede bloemen staan aan de toppen van tot twee meter hoge houtige stengels. Langs de stengels zitten kleine blaadjes, die een kleverige hars afscheiden. De hele plant is daardoor erg plakkerig en bij aanraking blijft de hars vaak kleven.

In vroeger tijden werd deze hars geoogst door een stuk stof of leer door de Cistus ladanifer-struiken te trekken. Een andere methode om de hars te winnen was het uitkammen van de sikken van bokken en geiten, die door een landschap met deze planten gelopen hebben. In die sikken blijft de hars kleven. De aldus verzamelde hars is ladanum, een grondstof voor de productie van parfums en medicijnen. Door een vertaalfout ergens in de kerkgeschiedenis wordt ladanum ook wel als mirre vertaald, maar dat is strikt genomen de hars van Commiphora myrrha, een boom uit Arabië. Omdat Cistus ladanifer alleen in het westelijke Middellandse-Zeegebied voorkomt, lijkt het niet waarschijnlijk, dat de ladanum van deze soort reeds in bijbelse tijden gebruikt werd. Er wordt ook wel ladanum verzameld van een andere Cistus-soort: Cistus incanus creticus.

Groeiplaats

Waar de meeste andere soorten meestal solitair groeien, op arme stenige grond en vaak op steile hellingen, groeit Cistus ladanifer vooral op vlakke stukken en in grote groepen bij elkaar. Daardoor valt het stakerige in eerste instantie niet erg op. Maar bij een geïsoleerde plant is duidelijk, dat enige steun, ondanks de houtige stengel, geen kwaad kan. Snoeien bevalt de plant meestal niet goed. Soms weigert hij weer uit te spruiten.
Andere zonneroosjes hebben een veel meer bossige groei. Er zijn vele verschillende soorten, die verschillen in bloemkleur (wit en diverse tinten roze) en bladeren. Cistus albidus is een mooie, roze soort, die de naam albidus (wittig) heeft gekregen vanwege de zachte, witte beharing op de blaadjes. C. albidus heeft kreukelige bloemblaadjes. De witbloeiende C. monspeliensis heeft ook iets kleverige en geurende blaadjes, maar verschilt van C. ladanifer door de kleinere bloemen en de veel dichtere groei.

Voeding

Alle Cistus-soorten groeien op een warme en zonnige plaats buiten het beste, maar ze zijn nauwelijks vorstbestendig als ze niet heel erg droog gehouden worden. Overwinteren in een serre of koele kas is wel geschikt, maar alleen met maximaal licht, zelfs volle zon als dat tenminste niet direct achter het glas is. Ze wensen een zeer goed doorlatend mengsel en het verdient zelfs aanbeveling in de pot een paar grote keien te leggen, waaromheen de planten dan wortelen. Daar worden de potten zwaar, maar ook stabiel van en het geeft de planten steun, die ze anders in de losse, droge potgrond wellicht ontberen. Het potmengsel is een mengsel van zand, fijn grind en klei, dat geen kalk, maar wel een beetje humus mag bevatten. Geef de planten in de zomer weinig water; steeds op het randje van wat ze nodig lijken te hebben. In de winter moeten ze koel staan, maar weer maximaal in het licht en krijgen ze wat water, dan moeten ze snel weer opdrogen. In het voorjaar hebben de planten baat bij wat extra warmte.